bestemmingsplan

bestemmingsplan

http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?verdict_id=34892

ZAAKNUMMER   200807311/1
DATUM VAN UITSPRAAK   woensdag 8 april 2009
TEGEN   het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,
PROCEDURESOORT   Eerste aanleg – enkelvoudig    Print deze uitspraak
RECHTSGEBIED   Kamer 1 – RO – Noord-Brabant    E-mail deze uitspraak
 
200807311/1.
Datum uitspraak: 8 april 2009

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2008, nr. 1369366, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Heusden (hierna: de raad) bij besluit van 18 december 2007 vastgestelde bestemmingsplan “Castellum”.

Tegen dit besluit heeft [appellant] (hierna: [appellant]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 oktober 2008, beroep ingesteld. [appellant] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 22 oktober 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. B. Vermeirssen, advocaat te Goes, zijn verschenen.
Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door ing. R.M.W.B. Flipsen en drs. ing. J.F.L.M. de Kort, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om – in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen – te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan beoogt de herstructurering van een gedeelte van een naoorlogse woonwijk in de kern Oud-Heusden. In totaal maakt het plan de realisatie mogelijk van 44 nieuwe woningen (grondgebonden, maisonnettes, ouderenwoningen en appartementen), ter vervanging van bestaande rijwoningen met bijbehorende straten en parkeerplaatsen en overig openbaar gebied.

2.3. Het beroep van [appellant], die woont aan de [locatie], richt zich tegen de goedkeuring van het gehele plan, waarin de bestemmingen “Wonen” en “Groen en water” zijn opgenomen. Het perceel [locatie] ligt binnen laatstgenoemde bestemming.

2.4. [appellant] voert aan dat in de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) is bepaald dat ruimtelijke plannen digitaal beschikbaar moeten zijn, terwijl dit niet is gebeurd met het plan.

2.4.1. De Afdeling stelt vast dat het ontwerpplan ter inzage heeft gelegen vanaf 17 augustus 2007 en dat de Wro op 1 juli 2008 in werking is getreden.

Gelet hierop heeft het college terecht overwogen dat inzake het plan op grond van het overgangsrecht de WRO van toepassing is, waaruit geen verplichting voortvloeit tot het digitaal beschikbaar stellen van ruimtelijke plannen.

2.5. [appellant] stelt dat de procedure voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpplan op onzorgvuldige wijze is verlopen en dat sprake is geweest van een gebrekkige informatieverstrekking.

2.5.1. De Afdeling verstaat de stelling van [appellant] aldus dat hij klachten heeft over de wijze waarop voorafgaande aan het ontwerpplan gelegenheid tot inspraak is geboden.

Met ingang van 1 juli 2005 is artikel 6a van de WRO vervallen. Ingevolge de WRO, zoals deze voor de onderhavige procedure luidt, vangt de procedure inzake de vaststelling van een bestemmingsplan aan met de terinzagelegging van een ontwerpplan. Nu het bieden van inspraak geen onderdeel meer uitmaakt van de in de WRO geregelde procedure kan, indien in een gemeentelijke verordening, als bedoeld in artikel 150 van de Gemeentewet, de mogelijkheid of verplichting is opgenomen inspraak te bieden, het niet nakomen van deze verplichting geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de gevolgde bestemmingsplanprocedure en de daaruit voortvloeiende besluiten met zich brengen. De stelling treft reeds om die reden geen doel.

2.6. [appellant] betoogt dat met het oog op het nieuwe plan een milieu-effectrapport (hierna: MER) had moeten worden opgesteld. Hij acht dit noodzakelijk gezien de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het plan.

2.6.1. Ten aanzien van dit betoog overweegt de Afdeling dat, gezien de kleinschalige omvang van het plan, het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een verplichting tot het opstellen van een MER ingevolge de Wet milieubeheer gelezen in samenhang met het Besluit milieu-effectrapportage 1994.

2.7. [appellant] voert aan dat uit akoestisch onderzoek blijkt dat ten aanzien van het plan de maximaal toelaatbare waarde inzake de geluidsbelasting wordt overschreden. [appellant] stelt in dit kader dat er geen grond voor ontheffing is voor deze waarde.

2.7.1. De Afdeling overweegt dat in opdracht van het gemeentebestuur van Heusden akoestisch onderzoek is gedaan en dat hieruit is gebleken dat voor een gedeelte van het plangebied sprake is van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder (hierna: Wgh). Bij afzonderlijk besluit van 16 oktober 2007 is door het gemeentebestuur van Heusden voor dit deel van het plangebied de hogere grenswaarde, zoals bedoeld in de Wgh, vastgesteld op 53 dB(A). Voor zover het beroep van [appellant] zich richt tegen het besluit tot vaststelling van een hogere grenswaarde door de gemeente Heusden, stelt de Afdeling vast dat tegen het besluit tot vaststelling van de hogere grenswaarde aparte rechtsmiddelen hebben opengestaan. Voor zover het beroep van [appellant] is gericht tegen dit besluit ziet het derhalve niet op het plan en kan het niet in deze procedure aan de orde komen.

Het voorgaande laat echter onverlet dat in het kader van het plan dient te worden bezien of aan de vastgestelde hogere grenswaarde kan worden voldaan. Inzake het plan is echter niet gebleken dat niet aan deze hogere grenswaarde kan worden voldaan.

2.8. [appellant] betoogt dat het algemeen belang niet is gediend met het plan. Hij voert aan dat niet duidelijk is waarom herstructurering van het plangebied noodzakelijk is. Hierbij stelt hij dat mede in ogenschouw moet worden genomen dat de bij het plan behorende woningproductie achterblijft bij het huidige aantal geschikte woningen en daarmee samenhangend de woningbehoefte. Door de verandering van het type woningen zal het karakter van het plangebied veranderen en zal het aantal mensen dat woonachtig is in het plangebied drastisch dalen. [appellant] merkt hierbij op dat het plan financieel niet haalbaar is, omdat er sprake is van een begrotingstekort van 2 miljoen euro.

2.8.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het plan een herstructurering beoogt van het plangebied, met als doel het verbeteren van de kwaliteit en leefbaarheid in dit gedeelte van Oud-Heusden. Ten aanzien van de woningproductie stelt het college dat er weliswaar sprake is van sloop van bestaande woningen, maar dat in plaats daarvan nieuwe woningen worden gebouwd. Voorts acht het college de door de raad gemaakte keuze wat betreft het aantal en soort te bouwen woningen, zoals opgenomen in het plan, niet onredelijk en ziet het geen redenen om op grond hiervan goedkeuring aan het plan te onthouden. Het college ziet verder geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de begroting en aan hetgeen in de plantoelichting is opgemerkt met betrekking tot de economische haalbaarheid van het plan. Er is een krediet beschikbaar gesteld ter financiering van een eventueel exploitatietekort van het plan, waarmee de economische uitvoerbaarheid op afdoende wijze is gegarandeerd, aldus het college.

2.8.2. De Afdeling is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plangebied herstructurering behoeft in het kader van de kwaliteit en leefbaarheid van dit gebied, omdat uit inventarisatie is gebleken dat daar grote knelpunten aanwezig zijn. [appellant] heeft niet gemotiveerd betwist dat deze knelpunten aanwezig zijn. Verder is van een afname van het aantal woningen geen sprake. Hierbij is in aanmerking genomen dat ter zitting van de zijde van de raad onweersproken is gesteld dat het huidige aantal woningen in het plangebied 38 is en volgens het plan 44 woningen zullen worden gerealiseerd. Voorts valt niet in te zien waarom niet zou kunnen worden voldaan aan de woningbehoefte van verschillende doelgroepen. Inzake het door [appellant] gestelde begrotingstekort voor het plan overweegt de Afdeling dat in het kader van de economische uitvoerbaarheid, blijkens de plantoelichting, de raad en initiatiefnemer de Woonveste een krediet beschikbaar hebben gesteld waarmee het tekort van 2 miljoen euro wordt gedekt. [appellant] heeft dit niet ontkend en heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat moet worden getwijfeld aan de economische haalbaarheid en de uitvoerbaarheid van het plan.

2.9. [appellant] betoogt dat de schaduweffecten van de 17,5 meter hoge woontoren aanzienlijk zijn voor de omliggende woningen en dat het college op grond van de bezonningsdiagrammen niet kan stellen dat de schaduweffecten beperkt blijven.

2.9.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de voorziene bebouwing met een maximum hoogte van 17,5 meter, gelet op het aan het plan ten grondslag gelegde bezonningsonderzoek, weliswaar kan leiden tot enige schaduwwerking voor omliggende percelen maar dat deze schaduwwerking niet van een dusdanige omvang is, dat sprake is van een ontoelaatbare aantasting van het woon- en leefklimaat.

2.9.2. Ingevolge artikel 2.1, onder c, onder 3, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn binnen het bouwvlak gebouwen toegestaan met een hoogte van maximaal 7 meter, tenzij op de plankaart een ander maximum staat. Op de plankaart staat voor de woontoren een maximale hoogte vermeld van 17,5 meter.

2.9.3. De Afdeling stelt vast dat het bestreden besluit wat betreft de beoordeling van de schaduwwerking van de in het plan voorziene woontoren steunt op het in opdracht van het gemeentebestuur van Heusden door bureau De Loods uitgevoerde bezonningsonderzoek, kenmerk prnr 1201, van 25 september 2006 (hierna: het onderzoek). Uit de desbetreffende bezonningsdiagrammen blijkt dat hoofdzakelijk in december en verder in maart en september vanaf 18.00 uur bij een beperkt aantal woningen extra schaduwwerking zal ontstaan door de woontoren. Het grootste deel van het jaar is bij geen van de omliggende woningen sprake van extra schaduwwerking door de woontoren. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan het onderzoek zodanige gebreken kleven dat dit niet aan het plan ten grondslag kon worden gelegd. Het college heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de schaduwwerking van de woontoren niet van een dusdanige omvang is, dat sprake is van een ontoelaatbare aantasting van het woon- en leefklimaat.

2.10. [appellant] betoogt dat er archeologische vondsten kunnen worden gedaan in het plangebied en dat de archeologische belangen dan ook tijdig bij het plan dienen te worden betrokken, omdat Nederland is gebonden aan het Verdrag van Malta.

2.10.1. Het college stelt zich op het standpunt dat voor het plangebied volgens de provinciale cultuurhistorische waardenkaart een lage archeologische verwachtingswaarde geldt, zodat een archeologisch onderzoek in dit geval niet noodzakelijk is.

2.10.2. De Afdeling overweegt dat door ondertekening van het Verdrag van Malta Nederland zich heeft verplicht tot het tijdig betrekken van de archeologische belangen bij ruimtelijke plannen. Uit de plantoelichting blijkt dat deze belangen tijdig bij de totstandkoming van het plan zijn betrokken. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een gebied dat is aangewezen als gebied met een hoge of middelhoge verwachtingswaarde. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat een archeologisch onderzoek in dit geval niet noodzakelijk is.

2.11. [appellant] betoogt dat uit bodemonderzoek is gebleken dat er sprake is van verontreinigde grond in het plangebied. In het verlengde hiervan stelt [appellant] dat de bodem waar nodig dan ook gesaneerd dient te worden. Voorts twijfelt hij aan de betrouwbaarheid van het grondwateronderzoek.

2.11.1. Uit in opdracht van de gemeente Heusden uitgevoerd bodemonderzoek blijkt dat in het plangebied plaatselijk sprake is van een lichte bodemverontreiniging, die niet van dien aard is dat daardoor de uitvoerbaarheid van het plan onzeker is, aldus het college.

2.11.2. De Afdeling overweegt hieromtrent als volgt. De aangetoonde lichte bodemverontreinigingen vormen volgens de plantoelichting geen belemmering voor het huidige gebruik van het plangebied, waaronder wonen inclusief een tuin wordt verstaan. Niet gebleken is dat uit een oogpunt van bodemverontreiniging en grondwaterbeheer een belemmering bestaat voor de uitvoerbaarheid van het plan. [appellant] heeft niet, bijvoorbeeld met een tegenonderzoek, aannemelijk gemaakt dat deze aspecten wel tot belemmeringen kunnen leiden. Het college heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze aspecten niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan.

2.12. Voor zover [appellant] betoogt dat geen serieus onderzoek is gedaan naar renovatie van de bestaande woningen in het plangebied, overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

2.13. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Broekman
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2009

12-605.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: